16 May, 23:43, 208
x viewed
Mijn werkdagen beginnen meer dan de helft van het jaar voor zonsopkomst, rond zes uur des ochtends. Mijn trouwe, onsterfelijke elektronische haan kondigt dan met krakende brultoon weer eens uren vol arbeidzame waanzin aan. Ik mag weer blij zijn dat ik de nacht en zijn droomzichten heb overleefd. Ik gooi het beddek van mijn lijf en overdenk welke rampen zich nu weer de volgende zestien uur aan mij zullen voltrekken. Vervolgens herrijs ik. Meestal gaat dat gepaard met een langgerekt ontluchten van mijn onderste systemen. Even een glas water naar binnen gooien, de koffie aan de pruttel brengen en dan een chocotorpedo het riool injagen.
‘Aha, de koffie ruikt weer goed!’
Een kortstondig en volkomen misplaatst gevoel van geluk overvalt mij. Mijn virtuele partner staat in de achterkamer verlangend met zwoel gezoem op mij te wachten. Ik troon mijn mok dampende zwarte heerlijkheid met me mee en plaats hem op het bureau pal naast het toetsenbord. Iets dat ik mijn kinderen met dictatoriale hypocrisie op straffe des doods heb verboden. Zij zetten hun glas limonade op de eettafel achter hen zodat mij in elk geval een eventuele zenuwinzinking zal worden bespaard. Met de eigenaardigheid van een alleenwonende man beweeg ik op haast liefkozende wijze de muis over het bureaublad.
Eerst het journaal. Kijken of God weer eens in de geschiedenis heeft ingegrepen tijdens mijn rust in de armen van Morpheus. Ach, het leed der wereld. Jawel hoor, Hij heeft weer eens gestrooid met aardbevingen en helse orkanen. En degenen die blatend of krijsend hun geloof aan Hem belijden, zijn de meest betrouwbare en vooral dodelijke werktuigen van Zijn schepping. Ik weet dat ook dit nieuws elke morgen hetzelfde is en soms flitst er dan een suïcidale gedachte door mijn vermoeide brein. Tegelijkertijd barst het zelfbesef van mijn fameuze misantropie als een vulkaan in mij los:
‘Die bijzondere traktatie van ongekend geluk gun ik jullie niet, stelletje hufters!’
Ik mopper nog wat na en zoek als identiteitstrouwe Nederlander de weersverwachting van de dag op. Ook in dit geval niets nieuws onder de hemel: zwaar bewolkt en in de middag breekt voor een korte tijd een flauw zonnetje door. Het is alsof ze het over de hersenactiviteit van 95% van mijn landgenoten hebben. Ik kijk op m’n klok. Tijd om te gaan. Ik moet die trein van 7 uur echt zien te halen.
Op het station aangekomen heb ik nog een kwartier de tijd om me rustig op mijn halfuurlijkse reisje voor te bereiden. Ik koop mijn kaartjes en ga de gratis krantjes inpikken die aan de hoofdingang aangeboden worden. Ook hier altijd weer hetzelfde uitzicht; een vertrouwdheid die illusoire veiligheid en zekerheid aan ons vluchtige bestaan biedt: elke dag opnieuw dezelfde mannen die Gods vernietigende werk van gisteren, in gitzwarte inkt op krantenpapier met – hopelijk onbedoelde – vrolijkheid aan de man en vrouw brengen.
Daar staat Mehmet Shukai. Een gezellige, goedlachse moddervette Turk waarmee ik een paar zomerweken heb samengewerkt in een kaasfabriek. Ik als vertier zoekende vakantiekracht en hij als zwoegende vaste medewerker. Naast de heerlijk seksistische nonsens en andere zalige platvloersheden tussen de rijpende Edammertjes, beluisterde ik evenwel de verheven wijsheden in zijn weemoedige woorden als hij over zijn jonge jaren sprak, toen hij met jeugdige kracht in zijn hart zijn geboortegrond verliet om hier een veilig bestaan te vestigen.
Ik loop hem lachend tegemoet.
‘Hé Mehmet, ouwe dikke Suikerturk! Alles goed?’
‘Ah jonkie, ja hoor! Hahaha, alles okay, maar weer meeste mensen sjaggierijnie! Lekker werken jij?’
‘Ja, moet wat doen voor m’n centjes, maar ik blijf lachen. Je vrouw ook goed?’
‘Laatste tijd beetje moeilijk lopen… Ouder worden, hè?’
‘Je moet haar ook wat meer met rust laten, Mehmet, ze is niet meer die jonge berggeit van vroeger!’
‘Hahaha, ja, maar ik blijf altijd die hete bergbok uit Toerkije, hahaha…’
Hij geeft me een krantje en we lachen het af. Ik haast me naar het perron want de intercity komt al aangedenderd.
Ik neem plaats in de meest rustige coupé en lees de kop: ‘Duizenden doden bij aardverschuiving in Azië’. Ik peins even over al die dode lichamen. In één enkele klap verhuizen duizenden zielen naar… Naar wat, ja. De diepere zin hiervan? Ik kan hem met mijn licht verkreukelde ochtendsmoelwerk niet achterhalen. Hoewel ik achter het idee sta dat de wereldbevolking met ruim de helft uitgedund mag worden, vind ik oprecht dat die pogingen daartoe met name op de verkeerde plekken van de aarde plaatsvinden. Altijd daar waar straatarme en hongerige mensen in gammele hutten huizen. Vrijwel nooit op plaatsen waar arrogante wolkenkrabbers aan de hemelpoort beuken. Ja, één keertje gebeurde dat. Maar zulke tragedies kunnen nooit genoegdoening of evenwicht in ellende teweegbrengen. Het blijft huilen met de pet op of af.
Ik blader verder. ‘Nederlands vliegtuig maakt noodlanding in Brazilië’. Gelukkig geen doden of gewonden. Ik kan mijn cynisme echter niet onderdrukken en begin er op los te fantaseren. Stel je voor. Een Boeing 747 onderweg. 430 man aan boord. Onder de passagiers, ook een oude bekende van mij, maar niet erg door mij geliefd. Dat gevoel koesterde was meer dan vaak wederzijds. Voor de eerste keer in zijn leven heeft hij gekozen voor een andere bestemming dan Disneyland Parijs. Hij is een beetje nerveus, net als zijn medereizigers op deze lange vlucht. Men heeft niet in de gaten dat er een zevental kapers met zelfvernietigingintenties meereizen en op de loer liggen. Ja, stel je dat eens voor. 430 ingeblikte onbenullen op 12 km hoogte, kruissnelheid 910 mijl per uur, op weg naar de zon, hun spoedige einde niet vermoedend. Pal boven de Atlantische Oceaan maken de zelfmoordcommando’s zich kenbaar. Maar wel op een heel bijzondere wijze. Zes van hun hebben Mickey Mouse-maskers op, zwaar bewapend. Dat ook. De leider echter presenteert zich als Donald Duck. Maar wel in de gedaante van een dodelijke eend, bepakt met bommen en granaten. Hij maakt zijn bedoelingen op niet mis te verstane wijze duidelijk. Op zeer originele wijze: met het kwakende stemgeluid van oom Donald. Ik mijmer over het moment voordat de explosieven afgaan. Hoe die oude bekende zijn laatste levensminuten oog in oog met zijn geliefde stripfiguren moet beleven.
‘Zo’n gelukkig einde zal niemand beschoren zijn’, denk ik met een slik.
Op dat moment valt er keiharde klap. De trein schiet met een akelig snerpend geluid in de remmen. Het duurt een lange 45 seconden voordat het gevaarte tot stilstand komt. Iedereen is zich rot geschrokken en in lichte paniek vraagt men om zich heen wat er is gebeurd. Iemand grapt luidkeels:
‘Weer eentje die op oneigenlijke wijze op de trein wilde stappen…’
Gelach. Waar ook ik aan mee doe. Hoewel ik het eigenlijk niet erg grappig vond.
De ochtend daarna leest dezelfde groep reizigers samen met mij, met opvallende geluidloosheid, een kort berichtje over een vrouw die op dit traject aan haar levenseinde kwam. Ik bleef me de hele dag afvragen met hoeveel vrijwilligheid zij dit gedaan had.
Ik gaf liever geen antwoord op die zelfvraag en besloot om de rest van mijn medemensen met totale onbaatzuchtigheid maar weer een tijdje te verdragen.
© Gert Pieter, 17 mei 2008